Investering in sport stap vooruit, maar onvoldoende voor gezamenlijke opgave
NOC*NSF 15 september 2026
Het kabinet zet met de Miljoenennota 2027 een stap vooruit door weer te investeren in sport. Dat is welkom, zeker na de bezuinigingen van de afgelopen jaren. De begroting vraagt echter om nadere bestudering voordat kan worden vastgesteld hoeveel er de komende jaren exact in sport wordt geïnvesteerd.
Zeker is dat extra geïnvesteerd wordt in de BOSA-regeling en in lokaal sportbeleid. De BOSA is essentieel voor sportverenigingen om hun accommodaties en sportmaterialen op niveau te houden. Dat is verstandig, maar de cruciale vraag is of er ook voldoende middelen terechtkomen bij de mensen en organisaties die dagelijks de sport mogelijk maken: verenigingen, vrijwilligers, trainers en coaches. En of er genoeg geïnvesteerd wordt in mensen die nu nog onvoldoende toegang hebben tot sport.
De mate van investering is nog niet het herstel dat de sportsector nodig heeft. Niet alleen omdat de sport de afgelopen jaren fors heeft ingeleverd, maar vooral omdat de investering niet lijkt aan te sluiten bij de inhoudelijke ambities van het kabinet.
Als Nederland de zorgkosten beheersbaar wil houden, ziekteverzuim wil terugdringen en wil werken aan de mentale en fysieke fitheid van de samenleving, is een sterke sportsector onmisbaar. En voor de gemeenschapszin geldt hetzelfde. Het sportveld is bij uitstek de plek waar mensen met verschillende achtergronden elkaar ontmoeten en samen onderdeel zijn van iets groters.
Juist daarom pleit NOC*NSF voor een fundamenteel gesprek over de positie van sport in onze samenleving. Vanochtend riep NOC*NSF, samen met tientallen medici, wetenschappers en wetenschappelijke verenigingen van medisch specialisten, het kabinet op om de maatschappelijke waarde van sport voluit te erkennen. Die oproep wordt breed gedeeld. Nu is het aan de Rijksoverheid om daar ook haar verantwoordelijkheid in te nemen.
Marc van den Tweel, algemeen directeur-bestuurder NOC*NSF:
“In de Troonrede benadrukt het kabinet terecht het belang van preventie, betaalbare zorg en de ambitie om onze jongeren te begeleiden naar ‘de gezondste generatie ooit’. Sport is daarin geen bijzaak, maar een essentiële schakel. Als we ziekteverzuim en de groei van de WIA-instroom willen terugdringen en mensen mentaal en fysiek vitaal willen houden, kunnen we niet om investeren in sport heen. Daar hoeft niemand van overtuigd te worden. De vraag is nu of we die logica ook terugzien in de financiële keuzes.”
“De afgelopen jaren heeft de sportsector fors moeten inleveren. Dat herstel je niet met een beperkte impuls. Zonder voldoende middelen ontstaat het risico op verschraling. Dat betekent niet dat de sport morgen stopt met draaien, maar wel dat er bijvoorbeeld minder ruimte is voor de opleiding van trainers en coaches, minder ondersteuning voor vrijwillige bestuurders, minder sportaanbod voor moeilijk bereikbare doelgroepen. Ook wordt het moeilijker om succesvolle oplossingen landelijk te verspreiden, waardoor verenigingen, gemeenten en sportorganisaties vaker zelf het wiel moeten uitvinden.”
“Wij gaan daarom met het kabinet in gesprek over de fundamentele rol van sport in Nederland. De plannen die het kabinet presenteert bieden daarvoor voldoende aanknopingspunten. Nu moeten we ervoor zorgen dat de financiële keuzes daar ook bij aansluiten.”