Flevoland bouwt aan een sterk netwerk voor clubondersteuning
22 oktober 2026
In Flevoland werken clubondersteuners van gemeenten en sportbonden al jaren samen het Platform Clubadvies Flevoland. Door regelmatig kennis en ervaringen uit te wisselen, weten professionals van bonden en lokale sportbedrijven elkaar steeds beter te vinden en kunnen zij sportverenigingen sneller naar de juiste ondersteuning leiden. De belangrijkste les van Sportservice Flevoland: samenwerking begint niet bij een overlegstructuur, maar bij persoonlijk contact.
Acht jaar geleden startte Sportservice Flevoland met een pilot van NOC*NSF om de samenwerking tussen clubondersteuners te versterken. Tom Sloetjes, projectleider bij Sportservice Flevoland en adviseur lokale sport vanuit Sportakkoord II, is vanaf het begin betrokken.
De eerste bijeenkomst was niet direct een succes. “Die was vrij theoretisch ingestoken, terwijl de meeste mensen in de sport juist praktisch te werk gaan en het liefst direct in actie komen,” vertelt Sloetjes. De aanpak veranderde. Inmiddels komen clubondersteuners ieder kwartaal samen om te bespreken wat er speelt bij sportverenigingen, van elkaar te leren en te kijken waar samenwerking mogelijk is. De bijeenkomsten zijn bedoeld voor clubondersteuners uit alle zes Flevolandse gemeenten. Daarnaast sluiten gemiddeld tien tot twaalf vertegenwoordigers van sportbonden aan.
Volgens Sloetjes zit de grootste winst niet eens in de informatie die tijdens de bijeenkomsten wordt uitgewisseld, maar in het feit dat mensen elkaar leren kennen. “Voorheen was er online wel een lijst te vinden met contactpersonen bij gemeenten en sportbonden. Maar als je iemand niet kent, is de drempel om elkaar op te bellen veel groter. Doordat ze elkaar leren kennen, zoeken ze elkaar actief op.”
Flevoland heeft met zes gemeenten het voordeel dat alle lokale clubondersteuners bij één netwerk kunnen worden betrokken. “Met twintig gemeenten gaat zo’n overleg niet werken,” zegt Sloetjes. “Dan lukt het niet om iedereen aan bod te laten komen.” Bij grotere regio’s is het volgens hem logischer om met kleinere regionale netwerken te werken en die eventueel weer met elkaar te verbinden.
Een netwerk maakt ondersteuning makkelijker
Het persoonlijke contact is waardevol, omdat clubondersteuners in hun eigen gemeente vaak grotendeels zelfstandig werken. “Het kan lastig zijn om uitdagingen in je eentje het hoofd te bieden,” zegt Sloetjes. “Door clubondersteuners bij elkaar te brengen, kunnen ze met elkaar sparren over onderwerpen als accommodaties, vrijwilligers en ledenwerving.”
Ook de kennis van sportbonden is daarbij belangrijk. Een lokale clubondersteuner hoeft immers niet alle sporten en bijbehorende regels en cultuur te kennen. “In Lelystad en Almere heb je bijvoorbeeld veel grote voetbalverenigingen, maar de gemiddelde clubondersteuner ademt geen voetbal. Dan is het prettig om met de KNVB te kunnen sparren over uitdagingen die specifiek binnen de voetballerij gelden.”
Tijdens de bijeenkomsten worden ook concrete thema’s besproken. Zo wisselen de deelnemers ervaringen uit over de aanpak van de vier v’s voor sociale veiligheid: vastgestelde gedragscodes, vertrouwenscontactpersonen, verklaring omtrent gedrag en vakkundige trainers-coaches. “Hoe pakt iedereen dat in de praktijk aan en wat kunnen we op dat gebied van elkaar leren?”
Sneller schakelen
Het netwerk maakt ook de weg naar ondersteuning eenvoudiger voor sportverenigingen. “In Flevoland hebben we bewust afgesproken dat er niet één aanspreekpunt is, maar dat iedereen uit het netwerk zich inzet om een club verder te helpen,” legt Sloetjes uit. “Krijgt een gemeentelijke clubondersteuner bijvoorbeeld een vraag over de competitie, dan schakelen we de bond in. En komt er bij een bond een vraag over accommodaties binnen, dan leggen we contact met de gemeente. Omdat we elkaar kennen, vinden we snel de juiste weg. Zo voorkomen we dat vrijwilligers van het kastje naar de muur worden gestuurd.”
Samenwerken vraagt onderhoud
Een regionaal netwerk ontstaat volgens Sloetjes niet vanzelf. Daar moet je in investeren. Dat betekent ook dat de vorm van het overleg moet blijven aansluiten bij de behoeften van de deelnemers. Aanvankelijk kwamen de clubondersteuners en sportbonden vier keer per jaar fysiek bijeen. Voor de bonden bleek dat uiteindelijk te veel. De huidige vorm is daarom aangepast: de clubondersteuners van de gemeenten komen twee keer per jaar fysiek bij elkaar. Daarnaast is er één gezamenlijke digitale bijeenkomst en één fysieke bijeenkomst met zowel gemeenten als sportbonden.
Die aanpassing is belangrijk, omdat sportbonden landelijk georganiseerd zijn. “Wij waren een van de eerste regio’s die op deze manier met sportbonden om tafel gingen. In het begin was het daardoor makkelijk om bonden erbij te betrekken. Nu steeds meer regio’s dit soort overleggen organiseren, merken we dat het lastiger wordt. Bonden kunnen natuurlijk niet in iedere regio aanwezig zijn.” Toch vindt Sloetjes het belangrijk om de sportbonden bij het netwerk te blijven betrekken. “Achter iedere sport zit een wereld van cultuur en regels. Daar is de ervaring van bonden heel waardevol.”
Het belang van clubgevoel
Volgens Sloetjes is persoonlijk contact uiteindelijk de belangrijkste succesfactor. “Mensen die in de sport werken zijn vaak mensgericht. Als je iemand kent, wordt het makkelijker om ermee samen te werken.” Daarom zijn juist de fysieke bijeenkomsten belangrijk. Ze zorgen volgens hem voor een soort gezamenlijk clubgevoel: mensen weten niet alleen wie ze moeten bellen, maar kennen elkaar ook persoonlijk en voelen zich samen verantwoordelijk voor goede ondersteuning van sportverenigingen.
Meer informatie
Benieuwd hoe je lokaal, regionaal en landelijk kunt samenwerken op het gebied van clubondersteuning? Lees meer op deze pagina over sport- en beweegloketten. Ga voor meer informatie over de aanpak in Flevoland naar Platform Clubadvies Flevoland.