'Ik blijf een man van de praktijk'

Om de aansturing en coördinatie binnen de topsportprogramma's te versterken en het Nederlandse topsportklimaat in zijn totaliteit te verbeteren, moeten er bij de bonden meer technisch directeuren worden aangesteld. Dat was een van de aanbevelingen na de evaluatie van de Olympische Spelen van Beijing. Sinds begin dit jaar is er de Regeling Technisch Directeuren, waarbij NOC*NSF aanstellingen subsidieert van in totaal twintig technisch directeuren bij de zogenaamde focusbonden (*) met middelen vanuit Lotto en het marketingprogramma Ambition 2012. Cor van der Geest is een van hen. 'Mijn belangrijkste taak is de rust in de judowereld te bewaren.'

Cor van der Geest (64) fungeert sinds 2001 al min of meer als technisch directeur. Vanaf dat moment was hij niet alleen coach van een aantal topjudoka's, maar ook ÿ de eerste periode samen met Chris de Korte ÿ voorzitter van de technische staf van de Judo Bond Nederland (JBN). Per 1 februari van dit jaar is die functie omgezet in die van technisch directeur, waarmee Van der Geest, die tegenwoordig niet meer coacht, gelijk een breder takenpakket heeft gekregen. 'In grote lijnen komt het erop neer dat ik bij de coaches de politiek buiten de deur houd. Het allergrootste voordeel van een fulltime technisch directeur is dat coaches niet meer in de verleiding komen om ÿ naast het begeleiden van hun sporters ÿ ook nog eens bezig te zijn met allerlei logistieke en organisatorische zaken. Een coach moet trainen en coachen.'

De bondscoaches Maarten Arens (mannen) en Marjolein van Unen (vrouwen), alsmede de coaches van de nationale juniorenselecties Edwin Steringa (mannen) en Willem de Korte (vrouwen) stellen hun eigen programma's samen. Van der Geest beoordeelt hun plannen en fungeert tegelijkertijd voor hen als klankbord en adviseur. 'Ik ben coach van de coaches.' Voor het aanvragen van subsidies en andere bureauwerkzaamheden kan hij terugvallen op de topsportcoördinator van de JBN. 'Ik ben en blijf toch vooral een man van de praktijk.'

De Haarlemmer heeft een goed gevoel overgehouden aan het recente WK in Rotterdam. Hoewel stiekem was gerekend op iets meer medailles, kan Van der Geest 'onmogelijk' ontevreden zijn over de eerste (Marhinde Verkerk) en twee tweede plaatsen (Elisabeth Willeboordse en Henk Grol) die de Nederlandse equipe behaalde. 'Toch had er iets meer in gezeten. We zijn een beetje de dupe geworden van het nieuwe lotingsysteem, waarbij de eerste acht van de wereldranking zijn geplaatst en waarbij alleen de uitgeschakelde kwartfinalisten een herkansing krijgen. Dat is wel iets wat me zorgen baart voor de toekomst, want dit betekent dat we gedurende het seizoen vaker op pad moeten om punten te vergaren voor de wereldranglijst. Normaal gesproken gaan we één keer per jaar naar toernooien in Azië of Zuid-Amerika. Nu zullen we daar drie à vier keer naartoe moeten om te voorkomen dat we in de eerste rondes van een WK of Olympische Spelen gelijk op de favorieten stuiten. Los van het vermoeiende reizen praat je ook over een extra kostenpost van een paar ton per jaar. Willen we onze programma's handhaven op high performance-niveau, dan moeten we ergens extra middelen vandaan zien te halen.'

Positief gestemd is Van der Geest over de keuze voor vier talentcentra in Rotterdam, Haarlem, Heerenveen en Eindhoven. 'Dat waren bestaande initiatieven, maar de faciliteiten zijn aanmerkelijk verbeterd. De talentcentra in Eindhoven en Heerenveen vallen onder de plaatselijke CTO's. Op alle vier de locaties hebben we nu een trainer die in dienst is van de judobond. Zo houden we controle over de opleiding van talentvolle judoka's, al zal er in onze sport altijd ruimte moeten blijven voor particuliere initiatieven. Aan mij de taak om dit alles in goede banen te leiden. Het zou prachtig zijn als de structuur van talentcentra in combinatie met particuliere judoscholen in 2012 optimaal functioneert. Dan kan ik tegen die tijd met een gerust hart met pensioen.'

(*) bonden die in hoge mate bijdragen aan de toptienambitie